kyoto calling
Havenpersclub ”Kyoto” Rotterdam

Rotterdams Nieuwsblad van 23 februari 1982

Koos Lagendijk, ’Havenman van het Jaar’...:

„Je sjouwde door de hele wereld”

door Gijs van Barneveld

HERHAALDELIJK heft hij beide armen om zijn woorden te onderstrepen en dat gebeurt al onmiddellijk na de begroeting bij de eerste vraag of hij het leuk vond om voor 1981 uitgeroepen te worden tot ’Havenman van het Jaar’. Koos Lagendijk (64), stralend: „Ja, dat was een totale verrassing. Daar was ik echt blij mee”.

Hij kreeg als eerste de onderscheiding van de Rotterdamse havenpersclub ’Kyoto’, vorig jaar ingesteld ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de club. De heer Lagendijk heeft ’Kyoto’ leren kennen als ’een kritische en onafhankelijke club’ en dát, zo verklaart hij, maakt de onderscheiding voor hem zo waardevol. Naar het oordeel van de leden van de havenpersclub heeft de heer Lagendijk de afgelopen jaren veel gedaan voor de verbetering van de positie van Rotterdam als massagoedhaven (ijzererts, steenkool).

Hoe doe je dat?

De directeur van het op de Maasvlakte gevestigde Europees Massagoed Overslagbedrijf (EMO) en voordien jarenlang ook directeur van het stuwadoorsbedrijf Frans Swarttouw, waar hij vijftig jaar geleden als jongste bediende begon, kan dat eenvoudig verklaren. Hij is er de man niet naar om daar onnodig ingewikkeld over te doen. Hij praat zoals hij ongetwijfeld ook altijd heeft gehandeld: recht op de man af, zegt...: „Je kijkt in de wereld rond en je ziet dat men naar kostenbesparingen zoekt. Ook op aanvoer en dan weet je dat er een installatie nodig is om grote schepen te behandelen. Je gaat pushen, bij een gemeentelijk havenbedrijf, bij Rijkswaterstaat omdat het geen zin heeft te investeren als er geen goede toevoerweg is”.

’t Resultaat was het vorig jaar op de Maasvlakte in gebruik nemen van een derde losbrug; de grootste in zijn soort ter wereld.

De heer Lagendijk leunt ontspannen achterover, laat de stilte even doorwerken en vervolgt dan: „Je ziet het hele buitenland zich op grotere schaal bewegen. Toen Europoort in ’68 klaar was, zijn wij met de gemeente gaan praten omdat wij liever op de Maasvlakte zaten. In ’73 is EMO er samen met de gemeente gaan bouwen”.

EMO-directeur is hij sinds ’73 en tot ’80 betekende dat een dubbelfunctie, want sinds de jaren ’50 was hij tevens directeur bij Swarttouw. Swarttouw (1000 man) neemt ook deel in EMO (300 man). In ’32, toen een 14-jarige Koos Lagendijk als jongste bediende werd aangenomen door ’de ouwe Frans’, lag dat even anders...

Dat waren de crisisjaren, toen Swarttouw aan de Heyplaatweg veertig man in vaste dienst had en voor het overige werkte met losse krachten. De heer Lagendijk: „Driemaal per dag kwamen de mensen op vaste tijden aan de poort om te vragen of er werk was”.

Naast ’de grote baas’, Frans Swarttouw, had het bedrijf een directeur (de heer Schoufour), een boekhouder en een jongste bediende in dienst. Dat was Koos Lagendijk, die dagelijks zo’n drie kwartier had te lopen van de ouderlijke woning in Charlois naar het bedrijf. Hij had het er graag voor over. Vier maanden had hij, het mulo-diploma op zak, naar werk lopen zoeken, kantoor in, kantoor uit. Op één na de jongste, uit een gezin van tien kinderen. Vader was als scheepstimmerman bij de Rotterdamse Droogdok ’overbodig’ geworden en begon een handeltje in hout. Koos herinnert zich: „Ik had naar de hbs gemogen, maar liever nog was het ze dat ik iets ging verdienen”.

Waarom werd hij bij Swarttouw aangenomen?

De heer Lagendijk: „De ouwe Schoufour wilde m’n rapport zien en dat waren negens en tienen. Toen kon ik meteen beginnen”. De nu keurig in het donkere, anthracietkleurige kostuum stekende, blinkend glad geschoren directeur had bij het begin van zijn loopbaan onder meer anderhalf jaar lang tot taak het schoonmaken van de scheerkwast van de baas. Zo ging dat in de jaren dertig als je lid was van het gilde der jongste bedienden; alles aanpakken. In ’37 maakt hij promotie: aankomend bediende. Lachend bij de herinnering...: „Nog voor het uitbreken van de oorlog waren er twee jongste bedienden. Toen had ik twee man onder me”. Intussen had de jonge Lagendijk niet stil gezeten. Handelsavondschool en daarnaast, voor z’n twintigste, in het bezit van de diploma’s handelscorrespondentie Frans, Duits en Engels. Die prestatie wat wegwuivend, zegt hij: „Kijk, de baas betaalde alle kosten en dat schept natuurlijk verplichtingen en bovendien had ik op kantoor genoeg tijd over om te studeren. Zo druk was het in die jaren niet”.

Toch moet hij toen al het voornemen hebben gehad om iets te bereiken...

De heer Lagendijk bevestigt dat...: „Ja, ja. Ik geloof het wel, ja. Dat zal ook wel gestimuleerd zijn door het feit dat twee broers het goed hadden gedaan. Kapitein en stuurman geworden. Ja, een beetje vooraan willen komen zat er wel in”.

’t Blijft even stil. Dan, op de vraag of hij een bewuste carrièremaker was, afwerend...: „Nee, nee. Ik had eigenlijk maar één planning en dat was m’n kennis vermeerderen. Carrière? Ik werkte tenslotte als buitenstaander bij een familiebedrijf. Nee, ik wilde gewoon m’n job goed doen”.

Dat lukte kennelijk uitstekend. In september ’39, oorlogsdreiging, besloot de baas: „We gaan naar Delfzijl. Doe jij dat maar”. De heer Lagendijk: „Ik ging en huurde er een winkeltje, kocht een paar stoelen en richtte een filiaaltje op waar na drie maanden zo’n dertig man werkten”.

Feilloos schetst hij de situatie in die periode. Een goed geheugen?

Een wederom smakelijk lachende Lagendijk...: „Ja. Vroeger op kantoor zeiden ze al vraag het maar aan Koos als het bij voorbeeld ging om een vijf jaar oude brief”.

Nog even varen we op het kompas van dat geheugen. Na mei ’40 liepen de zaken uiteraard terug, maar, aldus Koos Lagendijk: „Ik ben daar lekker blijven zitten”. Hij kon het een en ander doen, onder meer aan voedseltransporten. Na ’Dolle Dinsdag’, in september ’44, besluit ook Lagendijk huiswaarts te gaan. Een foutje. Op 10 november wordt hij bij de razzia’s in Rotterdam opgepakt en met duizenden anderen in Rijnaken via Kampen op transport gesteld naar Duitsland. In Kampen weet hij ’s nachts samen met een Chinees van Katendrecht („Die man had een draadtangetje waarmee we de rollen prikkeldraad rond het kampement door konden knippen”) te ontsnappen. Met behulp van een boer terug naar Delfzijl en daar al snel ondergedoken...: „Toen zochten ze ons werkelijk”.

Daar laat hij het bij.

In mei ’45 is Koos Lagendijk terug in Rotterdam. „Ze hebben drie kranen meegenomen”, sprak ’de ouwe’. Koos ging ze zoeken en ophalen uit Den Helder, van het eiland Borkum en de laatste in Aarhus in Denemarken en nu nog hoogst tevreden bij de herinnering zegt hij: „En zo hadden we in september/oktober ’45 bij het begin van het havenherstel drie kranen in Rotterdam”.

De loopbaan van Lagendijk gaat dan in een versneld tempo; in ’45 procuratiehouder, in ’49 adjunct-directeur en vervolgens directeur.

Dat betekende ook het voeren van het personeelsbeleid...

De heer Lagendijk: „Je was voor alles verantwoordelijk”. De vraag of hij ooit moeite heeft gehad met dit onderdeel van zijn werk levert het beeld op van een man, van een Rotterdammer tot in de toppen van zijn vingers. Een directeur, die voor en na kantoortijd ’altijd even naar de schepen ging, naar de Waalhaven’. Direct contact met de mensen. Nu betrekt hij zijn vrouw in het gesprek, zegt: „Mijn vrouw had daar ook plezier in”, waarop mevrouw Lagendijk, glimlachend, reageert: „Ja, koffie drinken met de vrouw van hoofdbaas Koppe”. Koos Lagendijk: „Als ik niet op reis was, was ik daar”.

Hij was veel op reis. Op den duur drie tot vier maanden van het jaar. Aanvankelijk heel Europa en in ’57 naar Amerika...

De heer Lagendijk: „Ik was de eerste die naar Amerika ging. Je ging er op uit. Luisteren. Praten. Er ging toen iets met zwavel gebeuren. Er kwamen kleine partijen met lijnboten naar Rotterdam en ik dacht, verrek, dat is iets nieuws. Laat ik die Amerikanen eens contacten”.

Dat klinkt zo simpel, maar hoe werkt dat nou? Hoe weet je dan met wie je contact moet zoeken?

Hij lacht nu een beetje samenzweerderig, buigt zich voorover en onthult: „Uit de connossementen wist ik wie de vent was, die de zwavel verkocht”.

’t Werden miljoenen tonnen per jaar; vaste en vloeibare zwavel. Er kwam een speciale terminal voor in de Botlek en nóg is Lagendijk eigenlijk stom verbaasd over de zakelijke afwikkeling, vertelt trots: „Dat ging om de Sulfer Export Corporation in New York en ze vroegen zelf om een veertigjarig contract! Ze wilden definitief de markt in Europa bestrijken. ’t Was hun wens”. Hij zwijgt even, leunt weer achterover, weet nog...: „Ja, dan kijk je wel even op, natuurlijk”.

De jongste bediende was zakenman geworden. Zuiver commercieel werkzaam. Men zegt wel eens dat je als zakenman een beetje gemeen moet zijn...

Hij veert verontwaardigd op...: „Dat klopt niet. Dat klopt helemaal niet. Ik kan je het tegendeel bewijzen. Ik heb relaties behouden van wie iedereen zei die ben je kwijt. Nee, met dubbele bodempraktijken heb ik me nooit opgehouden. Dat doe ik niet en dat principe heeft vruchten afgeworpen. Door eigen schuld heb ik nog nooit een klant verloren en daar ben ik een beetje trots op”.

Na deze spontane reactie, voegt hij er, geheel en al nuchter weer, aan toe: „Niemand wil belazerd worden”.

Dat laatste is voor Jacobus Lagendijk, nog altijd een principieel kerkganger (bloedgroep CH in het CDA), een forse uitspraak. Hij is geen man van krachttermen, hoewel hij toegeeft op het werk een enkele maal wel eens driftig te kunnen worden. Dat hangt dan weer samen met zijn perfectionisme...: „Ik wil de zaak in orde hebben”. Zoals hij ook hecht aan een verzorgd uiterlijk.

Koos Lagendijk, vader ook van twee dochters en twee zonen, die alle vier hun weg hebben gevonden, min of meer in het voetspoor van hun vader. Een bevoorrecht mens?

”Ja”, zegt hij zonder meer. Dit jaar hoopt hij de halve eeuw ’in de haven’ vol te maken. Over het ’daarna’ ligt hij niet wakker, weet...: „Er zal best wat op me afkomen”.

Mocht dat niet zo zijn, dan zal Koos Lagendijk ongetwijfeld wel op iets afgaan, zoals hij dat buiten zijn werk ook al deed voor sportclubs en voor de Chr. Jonge Mannenvereniging (CJMV) en dat heeft er naar zijn overtuiging toe geleid dat hij destijds werd benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau...: „’t Schijnt dat vooral dat soort dingen tellen bij zo’n onderscheiding”, zo meent hij.

Waarna het de hoogste tijd is om naar de Maasvlakte te gaan. Er zijn onverwacht een paar Amerikanen ’uit de lucht komen vallen’.

Met vriendelijke toestemming van Rotterdams Dagblad als rechtsopvolger van Rotterdams Nieuwsblad

Terug naar boven