kyoto calling
Havenpersclub ”Kyoto” Rotterdam

Rotterdam en de chemie: plussen en minnen

Speech van Jos Benders, directeur Manufacturing Europe van Lyondell Chemie, bij zijn benoeming tot Havenman van het Jaar 2003

De petrochemie hier in het Rotterdamse betreft hoofdzakelijk de basischemie. Er zijn nogal wat zwartkijkers die in deze tak van sport weinig positiefs zien voor de toekomst. Neemt u van mij aan dat de capaciteit van deze producten nu en in de toekomst nodig blijft.

Groei in deze business presenteert zich erg divers in de verschillende werelddelen. Over de periode van 1997 tot 2002 zijn er in totaal 1045 nieuwe projecten in de chemische industrie bijgekomen in Europa. Frankrijk voert de lijst aan en Nederland scoort hier als zesde met 86 nieuwe projecten. Kijken wij nu wie de grootste investeerder is, dan scoort de VS als nummer één met 31,5% aan nieuwe projecten en Nederland als vierde met 5,6%. Overigens daalt het aandeel van de buitenlandse investeringen gestaag: van 12% in 1997 tot 5% in 2002.

Uitbreiding Europese Unie
De chemische sector heeft het zwaar, erg zwaar. Door de teruggelopen economie, hoge grondstof- en energieprijzen en de koersontwikkeling dollar-euro hebben veel bedrijven hun omzet en winst drastisch zien teruglopen. Daarbij is het niet meer dan logisch dat chemische bedrijven zich afvragen wat de uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe lidstaten voor gevolgen heeft. Is het bijvoorbeeld interessanter om in nieuwe fabrieken in de nieuwe landen dan in bestaande fabrieken te investeren? En welke toetredende landen hebben eigenlijk de beste mogelijkheden?

Een recent rapport van Cap Gemini Ernst & Young geeft aan dat ons land en met name Rotterdam zich geen grote zorgen hoeft te maken. Dit komt door de alom bekende positieve vestigingsfactoren:

Goede infrastructuur: het pijpleidingennetwerk voor olie, ethyleen, propyleen, multicore leidingennetwerk, diep water, promotiestrategieën als co-siting en clustering. Volgens de onderzoeken is ons land, en met name Rotterdam, nog steeds veruit de beste vestigingsplaats voor basischemie.

Ook het hoge opleidingsniveau van onze beroepsbevolking, de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek en de prima score op het gebied van veiligheid maken van ons land een uitstekende vestigingsplaats voor nieuwe chemiebedrijven.

Minder positief zijn de onderzoekers over Duitsland, het grootste chemieland in Europa. De goedkopere importen uit de nieuwe lidstaten is een zorg, maar ook de tendens dat Duitse concerns hun nieuwe investeringen eerder in de Balkan-landen dan in eigen land zullen doen.

Oost-Europa
Het onderzoek geeft aan dat landen als Tsjechië, Estland en Hongarije zullen profiteren van de toetreding tot de EU. Men voorziet dat Tsjechië zal uitgroeien tot het centrum van de petrochemische industrie in Oost-Europa. Estland heeft op dit moment een goede positie in verven en lakken. De Hongaarse chemische industrie concentreert zich hoofdzakelijk op de fijnchemie en farmacie. Dit komt doordat in de dagen van het communisme de Hongaarse industrie produceerde voor de Russische markt.

De Russische olie- en gasbedrijven als Yukos, Lukos, Sibneft en Gazprom willen meer investeren in de nieuwe EU-landen. Dit zal onherroepelijk leiden tot meer samenwerking en fusies met Europese en Amerikaanse olie-, gas- en chemische bedrijven.

Het Europese programma REACH (Registratie, Evaluatie en Autorisatie van CHemicals) zal het voor de nieuwe landen moeilijk maken een eigen fijnchemie-industrie op te bouwen. Op langere termijn zou de nieuwe Europese wet- en regelgeving op het gebied van stoffen wel eens kunnen leiden tot een sterkere Europese chemische industrie.

Hiermee kan geconcludeerd worden dat de uitbreiding van de EU niet direct een probleem is voor de basischemie in Nederland en dus ook niet voor Rotterdam. Maar daarmee zijn wij er niet. De economische groei in Europa is structureel te laag. Om de effecten van de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten, gekoppeld aan die groei, toch naar Rotterdam te halen is aandacht nodig voor enkele minpunten en actieve promotie voor onze pluspunten, nationaal en regionaal.

Minpunten
Loonkosten. In vergelijking met de landen om ons heen liggen de loonkosten vrij hoog. Het is goed te constateren dat in 2003 het Najaarsakkoord tot stand is gekomen. Met deze centrale afspraken hebben de spelers in de overlegeconomie het signaal afgegeven dat het hen ernst is de weggezakte Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren.

Overheid. De industrie mist visie bij de overheid. EZ onderkent dat er iets mis is, in de persoon van staatssecretaris Van Gennip, die met zoveel woorden zegt dat de maakindustrie de ruggengraat is van de economie. Er is wel een discussienota over de sterkte en zwakte van industriële sectoren opgesteld, maar het is allemaal te gefragmenteerd. Wat wij missen is een integrale industriepolitiek. Voorbeelden zijn de grote industrielanden Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Engeland. Zij grijpen de globalisering en de eenwording en uitbreiding van de Europese markt aan om hun nationale industrie voor de toekomst veilig te stellen. In Nederland zijn wij geneigd hierop afwijzend te reageren als ”non-level playing field” acties van Europese overheden. Daarentegen worden wij wel geconfronteerd met onnodige regelgeving die verder gaat dan de Europese directieven.

Energieprijzen. De chemische bedrijven in Nederland betalen nog steeds te veel voor hun energie. De Gasunie gedraagt zich in mijn ogen als een quasi-monopolist, waardoor de prijzen kunstmatig hoog blijven. Door de beperkte import capaciteit kunnen energie intensieve bedrijven niet profiteren van de goedkope buitenlandse elektriciteit.

Nationale wetgeving. Onze sector heeft te maken met een processie van controleurs en handhavers die door hun bureaucratisch gehalte bedrijven regelmatig op hoge kosten jagen. De chemische industrie heeft een enorme stap voorwaarts gezet met het adopteren van het programma Responsible Care, als het ware een handleiding om op een nette manier om te gaan met de omgeving. Daarom werken de convenanten die de overheid met de chemische industrie afsloot zo goed. Zelfs milieuvergunningen op hoofdlijnen kwamen onder de aandacht. Geen controle op controle dus, maar een zekere mate van vertrouwen. Daarom ervaren wij recente landelijke wetgeving als een stap terug.

Europese regelgeving. Milieucommissaris Wallström stelt zich voor om binnen één generatie alleen nog maar veilige en schone producten op de markt te brengen. Hiertoe is programma REACH (Registratie, Evaluatie en Autorisatie van CHemicals) opgesteld. De internationale chemische industrie maakt zich grote zorgen te worden opgezadeld met een bureaucratische, kostbare en onwerkbare moloch. Eerder gaf ik al aan dat dit programma een controlerend instrument wordt op een ”wilde” ontwikkeling van nieuwe chemicaliën in de Oost-Europese landen. Voor ons land kan het REACH-programma een bedreiging vormen voor de innovatieve kracht van de MKB-bedrijven. Want het is voor deze deze kleine, slimme bedrijven financieel onhaalbaar een langdurig en kostbaar toelatingsproject voor nieuwe stoffen te doorlopen.

Deze minpunten hebben uiteraard ook hun effecten op de groei in de Rotterdamse haven en Rotterdam heeft slechts beperkt invloed op enkele van deze punten. Er zal een periode zijn van minder investeringen in de chemische sector. Belangrijk is dat wannéér er investeringen zijn, Rotterdam hoge ogen gooit. Dit betekent dat de sterke punten van Rotterdam continu aandacht krijgen en de attractiviteit wereldwijd wordt uitgedragen.

Pluspunten
Voor de chemische sector vindt men in de Rotterdamse haven de volgende sterke punten:

Geografische ligging van Rotterdam en zijn Europees achterland.

Infrastructuur m.b.t. pijpleidingnetwerken, nutsvoorzieningen, maritieme en logistieke servicecapaciteit.

Diepwater aanlanding met het hieraan gekoppelde fenomeen van hubs. Dus bulkaanvoer met verwerkingsmogelijkheid of distributie via short sea-verbindingen naar plaatsen elders in Europa. Hierbij gaat het er dus duidelijk om de Rotterdamse haven te positioneren als een logistiek knooppunt bij uitstek voor de wereldhandelsstromen met alle know-how, dienstverlening en vestigingsplaatsvoordelen van dien.

Co-siting/clustering. Met een tweede Maasvlakte komt er weer ruimte voor green field-investeringen en clustervorming. Niet-bebouwde gronden in bestaand gebied bij bestaande vestigingen zijn in veel gevallen geschikt voor co-siting. In beide gevallen is sprake van synergievoordelen waarbij bedrijven optimaal gebruik maken van elkaars processen. Het restproduct van de een wordt daarmee de grondstof van de ander. Het geheel wordt daarmee meer dan de som der delen, want deze aanpak levert economische en milieuhygiënisch gezien vele voordelen. Het Rotterdamse havengebied leent zich bij uitstek voor een dergelijke concentratie. De overheid kan partijen bij elkaar brengen en bij de vergunningverlening kan de DCMR een belangrijke rol spelen in het concretiseren van co-siting.

Kwaliteit van het personeel. Twee opmerkingen hierover. Momenteel kunnen wij bogen op een bestand van goed opgeleide mensen. Op termijn maken wij ons zorgen en diverse initiatieven zijn hier reeds genomen, maar het is een gebied dat voortdurend aandacht blijft vragen. Dit is een essentiële factor bij een vestigingsplaatsstudie. Analoog aan het co-siting en clusterbeleid zou een nog verdere synergie tot stand gebracht moeten worden met de kennisinstituten in Rotterdam. Hierdoor komen kennisallianties tot stand die voor zich sprekende voordelen zullen opleveren. Wij hebben als industrie en opleidingsinstituten al initiatieven genomen door het procescollege op te zetten voor opleiding van procesoperators. Ten tweede: het EIC (Educatief Informatie Centrum) beschouw ik een integraal onderdeel van opleiding. Hier kan een leerling kennis maken met de inhoudelijke kant van een beroep in de industrie of de haven en daarmee een bewuste en gemotiveerde keuze maken.

Jos Benders, 19 januari 2004

Terug naar boven